Artikel 3

TUINIEREN IN DE NATUUR ?

In onze Nieuwsbrief van 2012 (Artikel : “Laten Uitsterven of Niet ?”) hadden we het al eens over de herintroductie van vuursalamanders en hamsters in de Limburgse natuur en over de discussies die dat herinvoeren vooral in Nederland, maar ook bij ons uitlokt.

Wanneer het slecht begint te gaan met een diersoort lijken sommige mensen te denken dat het volstaat om een slabakkend bestand gewoon aan te vullen, zoals je een auto bijtankt. Meestal betreft het dan nog aansprekende, schattige of markante soorten. De grens tussen dierentuin en natuur wordt hier wel vaag. En op enige termijn volgt er dan vaak ontnuchtering. In Nederland heeft men daar al meer ervaring mee.

Eind jaren zestig zette de Nederlandse Vogelbescherming het project Het Liesveld op voor de ooievaar. In het tijdschrift Het Vogeljaar kon je toen volgen hoe het aantal broedparen op de duur op de vingers van één hand te tellen waren. Nu zijn er in Nederland terug ca.700. Die vogels leven allemaal in het wild, maar ze zijn anders wild. De nazaten van het fokprogramma kregen nl zo te zien de trek niet aangeleerd, ze trotseerden sneeuw en ijs : misschien ook omdat ze bijgevoerd werden met kipfilets en eendagskuikens…

In het Nederlandse Nationale Park De Hoge Veluwe worden sinds 2007 per jaar gemiddeld 50 gefokte korhoenders uitgezet, terwijl de precieze oorzaken van het verdwijnen van deze soort nog onduidelijk zijn. De uitgezette dieren, opgegroeid in een soort kippenrennen, eindigen snel in de buik van vossen en haviken. Een vergelijkbare poging, eind 2009 op de Regte Heide bij Tilburg liep vergelijkbaar af : de 26 van een zender voorziene vogels waren binnen een paar weken dood.

Afgelopen juli besloot Deltapark Neeltje Jans (Vrouwenpolder, Zeeland) honderd in het aquarium uit het ei gekropen hondshaaien uit te zetten in de Oosterschelde, waar ze van nature voorkomen. De provincie stemde in, maar na de eerste twintig haaitjes trok het Nationaal Park Oosterschelde aan de bel. Was de natuur hier wel mee gediend ? Het project werd afgeblazen. Om overbevolking te voorkomen worden voortaan de haaieneieren uit de aquaria geschept.

Vooral amfibieën zijn populaire fok- en uitzetdieren. Het fokken is dan ook een stuk eenvoudiger. Van knoflookpad, boomkikker en geelbuikvuurpad worden elk jaar duizenden tot tienduizenden gekweekte kikker- en paddenvisjes teruggebracht naar de natuur; voor de vuursalamander is een kweekproject in voorbereiding.

Dat laatste project van RAVON (Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland) signaleerden we reeds. In de Limburgse hellingbossen waren opvallend veel van deze zeldzame dieren dood gevonden. In afwachting van de uitslag van het onderzoek naar de oorzaak werden alle volwassen exemplaren waar men de hand op kon leggen in allerijl weggevangen voor een kweekgroep. Het bleef bij 30 fokdieren die mogelijk onderdak krijgenin de Amsterdamse dierentuin Artis en in kasteelpark Born.

Soortgelijke projecten van Bureau Natuurbalans (Nijmegen) proberen de geelbuikvuurpad en de knoflookpad te helpen. Daarbij werd ontdekt dat de geelbuik zijn poelen af en toe droog wil om concurrentie af te blokken. In de Limburgse mergelgroeven zitten er nu ca.800. Voor de knoflookpad is er een duur kweekprogramma opgezet (tienduizenden euro’s per jaar) met dieren van zoveel mogelijk herkomstgebieden uit Nederland. Het programma moet de genetische variatie die er nog is optimaal benutten.

Op het departement natuurbeheer van de Wageningse unief wordt dat allemaal nogal sceptisch aangezien (hoewel het onderzoeksinstituut Alterra van die unief dan weer betrokken is bij het korenwolf/hamsterproject, zie Nieuwsbrief 2012). Hoogleraar Frank Berendse zet vraagtekens bij de reddingsacties. M.b.t. de vuursalamander bvb ziet hij de oorzaak van de achteruitgang in ziekte of de landbouw (het beekwater heeft een hoog nitraatgehalte) of de natuurlijke veroudering van het hellingbos. Dan moet het beheer anders, wat mogelijk ten koste gaat van andere soorten : die net zo goed van belang zijn voor het ecosysteem van de hellingbossen… Hij noemt het een duivels dilemma en streeft naar een andere aanpak, met grote eenheden natuurgebied en cultuurlandschap waar randvoorwaarden als waterhuishouding en milieukwaliteit in orde zijn en waar de natuur haar eigen boontjes mag doppen. Dan kan het gebeuren dat er weleens een soort verdwijnt. Berendse : “Mensen hebben de neiging vast te houden aan de soorten die ze kennen uit hun jeugd; maar ze erkennen niet de dynamiek van de natuur, die vaak een stuk groter is dan wij denken”.

(Rik Nijland in De Volkskrant Wetenschap, 12 januari 2013)