Artikel 1

De VJNM Natuur 2000 werd op 29 april 1967 te Antwerpen gesticht onder zijn toenmalige naam Wielewaal-Jeugdafdeling (WJA). De jonge stichters, w.o. Dirk Dubois, Frank Redant, Julius Smeyers, Etienne Van Rooy en Luc Van Schoor waren nl. lid van de vereniging voor vogelstudie De Wielewaal, onder impuls van priester Frans Segers gesticht in 1933. De WJA zou in 1972 haar naam wijzigen in Natuur 2000, De Wielewaal zou veel later opgaan in de vereniging Natuurpunt. In 1969, 45 jaar geleden, besloten we voor onze leden een driemaandelijks tijdschriftje uit te geven : naar het voorbeeld van het Nederlandse ’t Vogelaartje en naar het Wielewaal-tijdschrift De Wielewaal gaven we het de naam ’t Wielewaaltje. In de eerste nummers van ’t Wielewaaltje konden we interessante bijdragen opnemen van John Rigaux, een bevlogen jonge natuurliefhebber uit de Vlaamse Ardennen die later naam zou maken met o.m. publicaties over ecologisch tuinieren (De Ecologische Siertuin). Als een soort herdenking van wat er 45 jaar geleden gebeurde hernemen wij hieronder een artikel van John, dat verscheen in nummer 3-4 van de eerste jaargang van de voorloper van deze nieuwsbrief …

EEN WINTERSE GAST :
DE BUIZERD, BUTEO BUTEO.

Weinig vogels zijn in de loop der jaren meer vervolgd geworden dan de prooivogels. Onze vriend de buizerd is beslist niet door de mens gespaard geweest : duizenden dieren werden het slachtoffer van de vogelvangers, jagers, jachtopzieners e.a. onwetenden. Precies daarom wilde ik jullie iets meer vertellen over deze prachtige prooivogel, waarover zoveel fantastische verhalen de ronde doen. Gedeeltelijk ook omdat de buizerd nog niet zoo zeldzaam is geworden dat het een heksentoer zou vragen om hem te zien te krijgen. Al is de stand de jongste jaren wel sterk achteruit gelopen…

Laten we eerst eens nagaan hoe de buizerd er uitziet. In feite is het heel moeilijk zijn kleur te beschrijven : het verenkleed verschilt van individu tot individu. De overwegende kleur is donkerbruin met lichtere, gestreepte borst. Maar er komen ook exemplaren voor met een bijna volledig witte borst en een zeer lichte bovenzijde. Gelukkig zijn er nog andere herkenningsmiddelen. Het voornaamste is het vliegbeeld, dat van alle andere prooivogels duidelijk verschilt. Bij een “schroevende” buizerd kan je letten op zijn brede (gevingerde) vleugels en staart en op de donkere banden en strepen er over. De vleugelwijdte schommelt tussen 118 en 140 cm.

Nu iets meer over voedsel, jachtmethodes en biotoop. Voor een paar honderd jaar, toen grote delen van Vlaanderen nog bedekt waren met bossen, kwam de buizerd ook bij ons nog regelmatig als broedvogel voor. Nadien hebben onze voorouders echter vveel bos gerooid, zodat de buizerd (die grote bossen nodig heeft om tot broeden te komen) sterk in aantal afnam. Alleen in de Ardennen kon zich tot op heden een flinke stand handhaven : zo om en bij de 1000 paren. In de provincies Antwerpen, Brabant en Limburg zijn er jaarlijks niet meer dan 10 broedgevallen. Gelukkig is de buizerd buiten de broedtijd helemaal geen zeldzame gast. Op trek kunnen we hem zelfs boven de stad te zien krijgen. Het meest houdt hij echter van afwisselend terrein : weiden en akkers met hier en daar een bos of bosje. In een dergelijk biotoop zag ik eens in november 5 stuks op een wandeling van nog geen kilometer. Met wat geluk krijg je er ’s winters dus ook wel voor je kijker. Let in dat geval op, misschien ben je er getuige van hoe hij een prooi vangt. Dat is iets van het heerlijkste dat je in de natuur kan beleven !

Maar verder verteld over een paar van zijn jachttechnieken en over zijn voedsel. Buizerds zijn geen snelle vliegers, daarom zullen ze zich nooit vergrijpen aan vliegende prooien : in tegenstelling tot de valken, de koningen van de lucht. Het voedsel van de Buteo bestaat bijna uitsluitend uit kruipende dieren zoals veldmuizen, mollen, kikkers en grote insecten. In streken waar de besmettelijke mixomatose woedt, neemt hij ook veel konijnen. Die zieke exemplaren kunnen moeilijker uit de voeten dan gezonde, ze vormen een makkelijke prooi. Men noemt de buizerds daarom ook wel eens de reinigingsdienst van de natuur. Zelfs dode dieren spelen ze met smaak binnen…

En de jachtgewoonten ? Veelal maakt een jagende buizerd gebruik van een paaltje of een vrijstaande boom. Vanop die uitkijkpost bespiedt hij de omgeving. Ziet hij een eetbaar dier binnen zijn bereik, dan verstart zijn blik en tuurt hij met een verticaal gehouden kop in de richting van het doel. Acht hij het moment gekomen, dan wipt hij plots van zijn zitplaats en doet hij enkele vleugelslagen. Is hij voldoende dicht bij de prooi genaderd, dan strijkt hij neer en achtervolgt hij zijn slachtoffer verder te voet tot hij het te pakken heeft.

Vooral bij warm weer jagen buizerds schroevend in de lucht. Cirkelend klimmen ze tot op grote hoogte, soms hoger dan 100 meter. Vele minuten lang hangen ze zo rond te draaien, nu en dan even met de vleugels slaand. Ziet zo’n schroevende vogel een beweging op de grond en herkent hij het bewegend ding onder hem als iets eetbaars, dan daalt hij snel tot op een meter of twintig en zeilt hij daarna met aangelegde vleugels op zijn prooi af, om juist achter het slachtoffer de bodem te bereiken. De prooi wordt tenslotte met de klauwzn gegrepen en dood geknepen. De rest laat ik aan je eigen verbeelding over…

In sommige streken jagen buizerds dikwijls biddend. Zelf zag ik dit nog maar een paar keer. Een meester in het bidden is veel meer zijn kleinere neef, de torenvalk. Die is leniger dan de eerder plompe buizerd.
Al moet ik kort zijn – dit artikeltje mocht niet te lang worden – toch wil ik ook nog wat over een laatste jachtmanier vertellen. Wat gebeurt er ? Er komt een buizerd laag overvliegen, plots gaat ie onder dat vliegen met de kop in de wind staan terwijl hij snel met de vleugels op en neer slaat; zijn staart spreidt hij naar omlaag wijd open. ZO slaagt hij er in, de vaart die hij anders zou krijgen, af te remmen. De vogel buigt zijn kop helemaal omlaag. Hieruit kan je afleiden dat hij op zoek is naar een prooi. Krijgt hij bvb. een muis in de gaten, dan daalt hij dnel af, soms bidt hij nog even voor hij toeslaat. Daarna stoot hij schuin omlaag met uitgestrekte poten en grijpt hij het onfortuinlijke dier op de grond : dat laatste wordt nu snel afgemaakt.

Merk je, beste WJA’er, hoe vernuftig de natuur in elkaar steekt ? Ieder dier heeft zijn rol te vervullen en het is daar zo goed mogelijk voor uitgerust. Laat dus niet na, de komende winter eens op je eentje of met een excursie het vrije veld in te trekken : allicht beleef je daar een van deze wondertjes zelf. Veel geluk !

John Rigaux, WJA Schelde-Leie,
in het Wielewaaltje, jaargang 1 (1969), nr.3-4.